Home
BERT VAN ZELM
 
Back to writings

REDE EN GELOOF

De rede is het instrument waar we ons leven en het al mee bekijken en beoordelen. Alles moet in een door ons gemaakte formule passen. De ‘big bang’, wat er voor de ‘big bang’ was, dus voor de tijd en daarom een onmogelijkheid om dit te onderzoeken/definiëren, want 'voor' is een aanduiding van tijd en die kan dus niet worden gebruikt, zwarte gaten, antimaterie en donkere materie.

Dit zijn twee leuke visualisaties van de 'big bang' en wat er daarna gebeurde, maar op het moment van de 'big bang' ontstond pas het licht (en licht heeft een snelheid), dus waar kijken we eigenlijk naar?



We graven een kilometers lange tunnel waar we de kleinste deeltjes met duizelingwekkende snelheden op elkaar laten botsen, we kijken naar het oudste licht en we rekenen wat af.

Elke keer stuit ik weer op ‘we zijn er bijna en dan zal alles duidelijk zijn’ of 'het moment waarop dit gebeurt is oneindig kort, nog net te vangen, waar te nemen, maar in tijd 'oneindig' kort'. Het komt mij voor als nogal hopeloos.

Moet ik eigenlijk wel uitsluitend in de rede geloven? Is dit niet, naast alle concrete resultaten, een huidige 'religie' in plaats van die van het idee dat de wereld plat was, dat een oude man met baard alles geschapen had en wij de hoeders van het al zijn (wat een arrogantie eigenlijk)?



Dat we het pas goed doen, als we maar lang genoeg de bijbel doorploegen en luisteren naar een paar goeroes in monnikspij of met rode stip op het voorhoofd? Schieten woorden/definiëringen niet hopeloos tekort?

 


Het draait om het werkwoord ‘geloven’ of we willen of niet. Om hoe een perfect sluitend idee of een leer alles moet kunnen omvatten, ook het niet vatbare. Controle over alles om gerustgesteld en juist te kunnen leven.

Ik integreer mijn interpretatie van religie in dat allesomvattende beeld om het oncontroleerbare niet te verliezen; integendeel, om het mee te laten spelen. Het is mijn manier om het spekgladde stuk zeep niet weg te laten glippen.

 


GELOOF

Toen ik begon aan de werken voor de Gesù Redentore begon vroeg don Marco of ik geloofde. Ik antwoordde bevestigend en dat was genoeg voor hem. Welk geloof dat precies inhield maakte hem niet uit. Het was een geruststelling voor beiden. Waarschijnlijk houdt ook voor hem geloven allereerst in dat niet alles ooit door ons te verklaren zal zijn, maar wel degelijk invloed op ons heeft. Het is eigenlijk een nederig standpunt.



Religie is iets wat me jaren bezig heeft gehouden, was ik nu wel of niet een atheïst? Uiteindelijk realiseerde ik mij dat er naast alles wat de mens kan beredeneren er misschien wel nog veel en veel meer is. Ik heb begrepen dat Wittgenstein met zijn beroemde uitspraak: 'Wat we niet kunnen bespreken, moeten we in stilte voorbij laten gaan', dat dat de essentie van het al is waar we dus niets over kunnen mededelen.

Wat heb je daar aan? Alles heeft nu voor mij zijn voorlopige plaats gevonden ook al heb ik niets aan mijn God of hoe je dat niet verklaarbare wilt noemen.

 

Ik maak kunst. Tenminste, dat beweren anderen. Voor mij houdt het de zoektocht naar ondermeer schoonheid en het integreren van het mysterie in. Schoonheid wat is dat? Er is nog nooit een sluitende definitie van schoonheid gegeven. Het mysterie is duidelijk, maar het houdt wel het onberedeneerbare in, dus is het een onduidbaar begrip.

Ik reageer op wat er om mij heen gebeurt, wat me raakt.


Ik kom in de buurt van het mysterie in een schilderij door voorbij de rede te proberen te komen. Dat in dat werk zich iets manifesteert wat zelfs na meerdere jaren nog fascineert zonder zich prijs te geven (Karl Kraus zei dat een kunstenaar van de oplossing het raadsel maken kan).

Ik kan studeren zo veel ik wil (en dat is een vereiste, het brengt me naar de rand vanwaar ik de sprong kan wagen). Als er in het doek niet iets zit dat ongrijpbaar is, blijft het een slim werk, een trucje, geen echt kunstwerk. Dus als ik werk moet ik mij in dat proces verliezen, zodat er iets ontstaan kan dat ik niet in de hand heb. Het is niet anders. Om in dat 'gat' te vallen kan een 'fout' helpen...

 


HET VERONTRUSTENDE FOUT-PRINCIPE

Op de rand balancerend gooi ik me in het ongewisse. Vaak zie ik dan de volgende dag, dat ik gefaald heb. Dat het een onzinnig resultaat heeft gegeven. Dus moet ik het nogmaals proberen. Vandaar de stelling dat een goed schilderij van mij vaak de optelsom van de 'gecorrigeerde fouten' is.

Het argument betreffende de 'ingeweven fout' gaat tot tenminste zestig jaar terug. Mijn moeder vertelde me ooit dat in het patroon van een Perzisch tapijt altijd een fout geweven moet zijn. Het geloof zegt dat alleen Allah perfect is. Zou het tapijt perfect symmetrisch zijn, dan zou het met Allah concurreren. Ik interpreteer dat ook als dat het dan onaantastbaar zou zijn. Ik ben een mens en kan dus niet tot de totale perfectie komen. Ik moet van de 'fout' de gelukkige oplossing van het schilderij maken.

Ik realiseerde mij dit dankzij een bevriende kunstenaar die jaren later met een zelfde stelling inzake perfectie-imperfectie kwam. Hij beweerde dat in elk goed werk een ‘fout’ moet zitten (dus mensenwerk?). Zo’n 'fout' mits op de juiste plek, is als een 'plezierige spijker' waar je aan blijft haken. Sinds die tijd heb ik gezocht naar zulke ‘fouten’ bij anderen.

 


Hier is een lijst:

Het landschap van de ‘MONA LISA'.

De hand van ‘DAVID’ van Michelangelo.

De leeftijd van Maria in de ‘PIËTA’ van Michelangelo in de Sint Pieter.

De proporties van de lichamen en de aanhechtingen van de hoofden in de ‘CAPELLE MEDICEE’ van Michelangelo.

Het theater-decorachtige landschap van ‘DE LENTE’ van Botticelli.

De achtergrond van ‘DE KRUISAFNEMING’ van Rogier van der Weijden.

De veronrustende sfeer van ‘DE MUZIEKANTEN’ van Caravaggio.

De handen van de rechter figuur in ‘DE EMMAÜSGANGERS’ van Caravaggio, die een belangrijk gebaar maken.

De kras in de wenkbrauw van ‘HET ZELFPORTRET’ van Rembrandt in het Kenwood House.

De hand van Banninck Cocq in ‘DE NACHTWACHT’ van Rembrandt.

De plaats van de toeschouwers in ‘LAS MENINAS’ van Velazquez.

De vloeren in de schilderijen van Vermeer.

De rok van ‘HET DANSERESJE’ van Degas.

Het gat in het beeld ‘STAD ZONDER HART’ van Zadkine.


Het is teveel om te tonen, al die 'fouten ' die op de juiste plek zitten en dus de kracht en essentie van het werk zijn.


Je zou kunnen zeggen dat Francis Bacon van die ‘fout’ zijn kenmerk heeft proberen te maken. Het past in deze/zijn tijd. Vandaar dat ik vaak naar zijn werk kijk en probeer te zien waar het werkt en waar hij onderuit gaat.


Ik herinner me een discussie met een vriend over het rood en blauwe strikje in ‘VROUW MET WAAIER’ van Velazquez van de Wallace collectie. Dat strikje irriteert me, komt nergens anders terug als kleur. De vriend was het met me oneens. Dek het met je hand af en oordeel. Toch is het misschien daarom een goed schilderij. De irritatie geeft het een scherper randje, is misschien de 'spijker'.


Vrouw met Waaier.

 

 

 

MISLUKTE POGINGEN

Soms is op een banale wijze een poging gedaan. Wat te denken van de schedel in ‘DE AMBASSADEURS’ van Holbein? Het mag een moralistische les als motief hebben, maar ik vind het buiten het schilderij vallen. Het werkt niet, het is alleen storend.


De Ambassadeurs.

 


Turner raakte van het pad in zijn ‘WAR. THE EXILE AND THE ROCK LIMPET’.

Teveel een poging een boodschap over te brengen en te weinig een poging tot het maken van een goed schilderij. Napoleon zou er beter aan doen van het toneel te verdwijnen. Het is een 'foute fout'.

 


War. The exile and the Rock Limpet (hoe deze titel te vertalen?).

 

 

OOK HIER ZIJN WEER UITZONDERINGEN?

Ik heb er jaren over gedaan om het werk van Rafael te kunnen waarderen. Ligt het aan de perfectie? Hij is de ultieme Renaissance kunstenaar. Alles is volkomen uitgebalanceerd. Geen 'spijkers' om achter te blijven haken. Of moet ik nog een stap terug doen en me realiseren dat perfectie door een mens gemaakt onmogelijk is en dus de 'ideale fout'?


Madonna van Belvedere.


Moet de kunst in twee categorieën worden onderverdeeld? De kunst die de imperfectie toont en die, die schijnbaar God toont? Veel van Willem Kalf’s stillevens zijn een voorbeeld van het laatste. Zoals ook de bloemstillevens van Rachel Ruysch.



Ook met deze ‘perfecte’ kunst hou ik mij bezig. Mijn bloemen hebben geen 'doornen' of 'spijkers'. Of toch wel? Ik streef in die werken meer naar stille harmonie (maar wel met een afstand/breuk tussen het object en de achtergrond; dus toch?). Tonen ze hun 'spijker' echter veel minder nadrukkelijk?

 


De laatste tijd moet ik veel aan de dood denken (wanneer eigenlijk niet? Zeker als het goed gaat komt Magere Hein langs voor de thee). Is de dood de ‘spijker’ van het leven? Door ons gezien als de 'weeffout in het tapijt'? Voor mijzelf heb ik er vrede mee, ben tot een 'vriendschappelijk respect' gekomen. Ik zie de dood misschien zelfs als een bevrijding.


God heeft heeft maling aan de rede, tijd en ruimte. Ik ploeter door... ook met het maken van kromme theorieën. Wat moet ik met al die woorden? Klik op de 'zingende paus' titel onder het schilderij (detail) van Francis Bacon om het Miserere to horen en zien.

'zingende paus'.

 

9 juni 2026, Barcelona.

 

 

 

 

Back to writings